In Europa leken de pick-up trucks en bestelwagens van na de oorlog vaak iets te veel op omgebouwde personenauto's of verkleinde zware bedrijfsvoertuigen. In beide gevallen was het niet iets wat je uit vrije keuze zou rijden, maar eerder uit praktische noodzaak.
In Europa werd deze situatie pas adequaat aangepakt met de komst van de Ford Transit in 1965. Maar Detroit had zijn 'T19ransit-moment' al bijna twee decennia eerder, met de Ford F-Series pick-up. Na 1945 zagen de Amerikanen, die aandacht hadden voor de nieuwe wetenschap van marktonderzoek, de noodzaak in van iets dat was ontworpen voor zware commerciële eisen, maar ook voldoende verfijningen had voor op de weg – waaronder prestaties en comfort – zodat het kon worden gebruikt voor 'civiele' activiteiten als alternatief voor een stationwagen.
De 'Bonus Built' F-serie van Ford, die in november 1947 (als model 48) op de markt kwam, had vanaf het begin de juiste balans gevonden.
Als eerste zelfstandige Ford-truckontwerp dat niet was afgeleid van een bestaande personenauto, nam het de beproefde zes- en achtcilinder flathead-motoren over, maar was het gebaseerd op een nieuw chassis met een derde dwarsbalk, dubbelwerkende schokdempers en een cabine die met rubberen bevestigingen van het frame was geïsoleerd. Het gebruikte nog steeds karvereningen aan beide uiteinden, maar aangezien de hedendaagse Ford-sedans en stationwagens nog steeds geen onafhankelijke voorwielophanging hadden, werd dit niet als een groot nadeel beschouwd.