Fiat was daar volgens het verhaal niet erg blij mee. Italiaanse dorpen en steden waren zijn territorium, waar het wemelde van de 500's en 600's. Maar in het begin van de jaren zestig was er een nieuwkomer die chic en modern was en zelfs – in de Cooper-uitvoering – een dosis Latijns-Amerikaanse kracht had.
Erger nog, BMC's nieuwkomer Mini werd geproduceerd in Italië – en wel door Innocenti, een bedrijf dat vooral bekend stond als fabrikant van de bescheiden Lambretta-scooter. De Fiat 500 had misschien wel de charme van een zakformaat auto, maar hij had ook een piepklein interieur en een minuscule kofferbak, terwijl hij slechts 102 millimeter korter was dan een Mini. Ondertussen was de Fiat 600 hard op weg om verouderd te raken.
Zijn beoogde vervanger, de 850, was niets bijzonders en had het nadeel dat hij de gecompromitteerde achterin geplaatste motor van de 600 had behouden. Het ongemak van Fiat was geen verrassing. Het bedrijf had dit al eens meegemaakt: aan het einde van de jaren vijftig had een andere scooterfabrikant, Vespa, geprobeerd om in de autoproductie te stappen met een kleine 'yoghurtpot'-runabout die moest concurreren met de 500. Fiat zou druk hebben uitgeoefend op Vespa, niet in het minst door te dreigen zelf scooters te gaan produceren als Vespa door zou gaan met zijn auto.